Deze pagina is nog onder constructie.

 

De Middeleeuwen.

Het woord 'Middeleeuwen' is eigenlijk een woord dat pas na die tijd gebruikt wordt, vanaf zo ongeveer 1500. Men bedoelde er niet veel goeds mee. De mensen in die tijd na 1500 hadden grote bewondering voor de Grieken en de Romeinen. Ze vonden dat er na het einde van het Romeinse rijk tot hun eigen tijd niets belangrijks meer was gebeurd. Zo'n tijd verdiende volgens hen dan ook geen eigen naam, want het waren toch maar eeuwen die er een beetje tussenin hingen, een 'middentijdperk' of de 'middeleeuwen'. 

Die naam 'Middeleeuwen' gebruiken we nu nog steeds voor de tijd tussen ongeveer 500 en 1500. Alleen weten wij nu dat er wel hele belangrijke dingen gebeurd zijn in die periode. 

 

Europa.

De naam 'Middeleeuwen' gebruik je vooral voor Europa. Met Europa bedoelen we in de Middeleeuwen het gebied dat door christenen bevolkt werd. Als het christendom zich uitbreidde dan werd Europa ook groter. Over 'Europa' sprak met in de Middeleeuwen alleen in geografische zin. De bevolking werd aangeduid met het begrip christianitas, christenheid. De Middeleeuwers deelden dus eigenlijk de wereld in twee groepen in: de christianitas en de 'anderen'. 

 

Bevolkingsgroei.

Tot ongeveer het jaar 1000 was Europa in de Middeleeuwen een agrarische samenleving. Na die tijd ontstond langzaam een agrarisch-stedelijke samenleving. Door de bevolkingsgroei steeg de vraag naar voedsel en kleding. De productie nam toe door allerlei nieuwe uitvindingen: het drieslagstelsel beperkte de tijd dat een akker braak lag en een nieuw paardentuig maakte het ploegen met paarden mogelijk waardoor het ploegen beter en sneller ging dan met een os. Er waren nu minder mensen nodig om voedsel te produceren, terwijl de bevolking groeide. Meer mensen gingen nu in de stad wonen. De groeiende vraag naar voedsel en kleding en de stijgende prijzen deed de handel toenemen. Steden waren voor hun voedsel afhankelijk van het omringende platteland. De boeren daar produceerden nu niet meer alleen voor het eigen gebruik, maar ook voor de markt. Wie in de plaatselijke handel wat verdiende kon zich luxegoederen veroorloven.

 

Standensamenleving.

Het ideaal van Middeleeuws Europa was een samenleving verdeeld in drie groepen mensen waar je je hele leven bij hoorde. Deze drie groepen mensen met elk hun eigen rechten noem je standen. De eerste stand was de geestelijkheid, de tweede de adel en de derde stand waren de boeren en de burgers. Verreweg de meeste mensen hoorde bij de boeren en burgers.

Je hoorde dus je hele leven bij een stand. Waren je ouders horigen, dan werd je dat zelf ook. Waren je ouders van adel, dan hoorde je bij de adellijke stand. Alleen voor geestelijken was dat anders: zij mochten niet trouwen en konden dus officieel ook geen kinderen krijgen. Eenvoudige dorpspriesters (pastoors) waren meestal boerenzonen. Bisschoppen waren meestal zonen van edelen.

De edelen en geestelijken hadden rechten die voor de boeren niet golden. Ze hoefden bijvoorbeeld geen belasting te betalen. Zulke rechten die alleen voor sommige mensen gelden, noemen we voorrechten. De gewone mensen vonden het heel gewoon dat er twee standen met voorrechten waren.

 

De standensamenleving in de Middeleeuwen van de machtigen aan de top tot de armen aan de onderkant. Bovenaan de geestelijkheid met daaronder de ridders en hun familie. Daaronder de middenklasse van bijvoorbeeld handelaren, ambachtslieden en vrije boeren.  Helemaal onderaan de voetsoldaten en de horigen.